Interview Lotte Lohrengel – Theaterkrant

 
HAARVATEN (2): LOTTE LOHRENGEL VAN DE NOORDERLINGEN
 

Instellingen voor talentontwikkeling zijn te zien als de haarvaten van het podiumkunstenstelsel. De instellingen, heel divers van aard, zitten overal verspreid over het land met vertakkingen naar onderwijs, jongerenorganisaties en andere disciplines. Zij zijn het die jonge talenten als eerste oppikken en hen voeden met kennis en vakmanschap.

 

De oudste theatervooropleiding is De Noorderlingen in Groningen. Opgericht in 1984 biedt de opleiding een doorlopend, meerjarig programma. De lijst met tot de verbeelding sprekende alumni is lang en divers. Sinds 2015 staat aan het hoofd van dit bijzondere huis Lotte Lohrengel. Theatermaker vroeg haar naar de positie van de vooropleiding.

 

Voor wie is De Noorderlingen er?

 

‘Wij zijn er voor jonge mensen tussen 12 en 21 jaar die zich echt willen ontwikkelen richting het kunstvakonderwijs. Het is natuurlijk wel een leeftijdsgroep waarbij een heleboel verandert; je kunt op je twaalfde een droom of een ambitie hebben die op je zestiende totaal anders is geworden. Ik heb nu bijvoorbeeld een ontzettend interessante jonge speler in De Productiegroep, maar hij gaat naar Engeland om natuurwetenschappen te studeren. Dus een aantal mensen stroomt uiteindelijk niet door, maar in onze hele manier van werken kijken wij heel specifiek naar de ontwikkeling van dat kind in hoe het zich verhoudt tot het theaterambacht.’

 

‘Vroeger was dat alleen acteren, maar dat is eigenlijk niet meer zo, ook doordat de opleidingen en het veld inmiddels breder georiënteerde mensen vragen. Wij starten wel heel duidelijk vanuit dat ambachtelijke. We werken op de vloer. Maar daarin zit ook research, veel lezen, dramaturgie. Ik hou ook weleens iemand in huis van wie ik bijvoorbeeld denk, jeetje wat ben jij aan het schrijven zeg, interessant. Maar die krijgt ook gewoon lessen in improvisatie, beweging, theater maken en performance en die ontwikkeling moet zich dan wel doorzetten. Als je geen deuk in een pakje boter kunt spelen, dan wordt het wel lastig.’

 

Hoe ziet het traject eruit bij jullie?

‘Je doet bij ons auditie maar je komt niet meteen op de Noorderlingen terecht. Je komt eerst een half jaar in een introgroep, en daarna stroom je door naar de lesgroepen. Drie fases, opgedeeld in twee blokken van een half schooljaar. Daarin heb je twee keer per week les, ieder half jaar van twee docenten die naast hun docentschap ook uitvoerend kunstenaar zijn, bijvoorbeeld choreograaf, componist of theatermaker. Het is een combinatie van ambacht overdragen en heel persoonlijke evaluaties. En dan, na een natuurlijk proces waarin sommigen iets anders gaan doen, blijft er een groep over van zes tot acht spelers die na hun middelbare school doorstromen naar De Productiegroep. Zij werken hier vier, vijf dagen per week, maken gemiddeld vier voorstellingen en hebben een vrij blok om helemaal zelf te initiëren. Dat is echt een afsluiting van een hele grote periode en dan vliegen ze uit.’

 

‘Iedere docent werkt hier op z’n eigen manier, we hebben geen vastomlijnd lesplan. Dat weiger ik ook echt! We hebben wel een werkwijze die al vanaf het begin bestaat en die is heel sterk. Ten eerste is dat het gezamenlijke onderzoek: het is niet zo dat je als docent met je vaste lesje klaarstaat en dat maar neerploft en klaar. We werken niet met standaardantwoorden, je bent echt met je spelers aan het werk om ze onbegrensd te leren denken en onderzoeken. Het kan ook zijn dat zij jou op een ander spoor brengen, iets wat je zelf nog niet kende als docent en maker. Je deelt je eigen vakmanschap en geeft elke speler de ruimte om zich daartoe te verhouden. Daarbij kijk je heel erg naar de persoon. Ik wil echt op het scherpst van de snede werken met ze. Ik was een keer in Engeland aan het werk en een regisseur daar verweet me: “You push them!” Ik zei: “Pushen? Ik WERK met ze, op een gelijkwaardige manier, en ik wil met ze kijken hoe hoog we de lat kunnen leggen.”’

 

‘Daarbij werken we eigenlijk niet resultaatgericht. We hebben werkpresentaties, twee keer per jaar, maar dat is nooit af. We maken geen voorstellingen in lesverband. Die maken we pas in De Productiegroep. En je kunt je buiten de lessen om opgeven voor een project tijdens Noorderzon, Jonge Harten of Theater na de Dam. Maar in het opleidingstraject kiezen we er bewust voor om geen producties te doen. Je bent heel gericht met je weg bezig, en met jezelf en de anderen met wie je het werk doet. Met makers en docenten die heel eigen en verschillend zijn.’

 

‘Dat vraagt behoorlijk veel. Dus je kan ook niet zomaar binnen komen lopen en denken, ik ga eens even kijken of toneel iets voor mij is. Daar zijn hele mooie andere plekken voor, zoals die ontzettend leuke jeugdtheaterschool hier in de stad. En dan kan het natuurlijk nog best zijn dat je, eenmaal binnen, ontdekt dat het toch niet iets voor je is. Maar dat is wel een andere insteek.’

 

‘We geven de jongeren een grote artistieke bagage mee en zorgen dat die al een beetje van henzelf wordt. Dat ze veel zien, allerlei soorten en stijlen werk. Daarbij worden we ondersteund door de theaters en gezelschappen in Groningen. We brengen ze ook een stevige discipline bij. Ze komen bij ons om kwart over zes binnen en het eerste kwartier wordt er trefbal gespeeld. Daarmee trappen ze de dag van zich af, dat gaat echt hard tegen hard, met kneiterharde muziek, en om half zeven, boem, start de les. En daarna zijn ze verantwoordelijk voor het gebouw, ze ruimen op, ze draaien een barretje. Dat hoort ook bij de basis. En ja, dat je boeken gaat lezen en nieuwsgierig bent, maar ook dat je dingen stom vindt: dat is goed.’

 

Wanneer beschouw je de Noorderlingen als geslaagd?

 

‘Je bedoelt: als we ze hebben afgeleverd aan de poorten van de toneelscholen en ze zijn aangenomen? Dan denk ik ja, maar ook tegelijkertijd nee, omdat het uiteindelijk veel interessanter is om te zien wat er gebeurt met die nieuwe generatie kunstenaars na die opleidingen. Hoe gaan zij dat vak vormen? We zijn een schakel in het theaterveld, maar dat zijn de toneelscholen ook, en de gezelschappen ook. Ik zou zo graag willen dat al die schakels meer met elkaar verbonden raken.’

 

‘Hoe dat dan kan, dat moeten we nog met elkaar uitzoeken dus daar praat ik over met bijvoorbeeld Toneelacademie Maastricht. Je moet allemaal je eigen ding blijven doen, maar ik heb wel de wens dat we met zijn allen investeren in onze voortrajecten voor jonge talenten. Dan zeg ik: je kan wachten tot ze bij jou komen op je audities, maar we kunnen misschien ook eens een uitwisseling organiseren. Mijn docenten, kunnen die een keer op werkbezoek bij de toneelscholen, of komen jullie eens een keer bij ons meedraaien? Wat gebeurt er dan? Ik wil dat we het belang meer gezamenlijk dragen. Dat gezelschappen, en de filmwereld, dus het veld, maar ook overheden echt zeggen: die plekken waar jonge mensen dingen mogen uitzoeken zijn van wezenlijk belang. Want eigenlijk zijn wij Jong Oranje!’

 

‘Ik stel mezelf weleens de vraag: waarom willen wij dit op zo’n intensieve manier doen? Het moet allemaal echt voor een appel en een ei, want we ontvangen geen landelijke subsidie. Dat betekent dat we niet goed kunnen investeren in scholenbezoek, het verbreden van de doelgroep, bijvoorbeeld. We moeten elke euro twee keer omdraaien – onze aanvraag voor een FCP-subsidie werd bijvoorbeeld niet in behandeling genomen, omdat we niet voldeden aan de eis dat we deelnemers uit vier provincies moeten hebben. Nu trouwens wel! Terwijl, kijk nou wat we, nu moet ik dat woord weer gebruiken, afleveren.  Al die interessante podiumkunstenaars op al die verschillende mooie plekken die vanuit De Noorderlingen zijn begonnen.’

 

‘Ik vind de Noorderlingen een geweldige, onmisbare plek. Als je hier toch al de fik erin zet, in zo’n jong mens, en dat het zaadje al echt al aan het groeien is, en dat de basis van het ambacht er al in zit en dat die mens al begonnen is zichzelf vragen te stellen over de wereld en over de kunsten. Dat is toch waardevol! En dat gaat niet alleen over De Noorderlingen hoor, dat gaat over al die mooie plekken in Nederland die zo’n bijdrage leveren aan de podiumkunsten.‘